Een nieuwe Grondwet voor Cuba.

Voor welk soort overgang ?                            

In Cuba komen de raadplegingen over het nieuwe ontwerp van Grondwet in hun eindfase. Op 15 november is de discussieperiode afgesloten, de Nationale Vergadering zal dan de eindtekst opmaken, die vervolgens in februari 2019 aan de bevolking per referendum wordt voorgelegd.

Janette Habel
03/11/2018

 

De huidige toestand in Cuba vereist meer dan ooit een grondige analyse. Belgische solidariteitsorganisaties schieten daarin meestal schromelijk tekort of zijn bijzonder eenogig op dat vlak. Al te vaak en met de beste intenties beperken “vrienden van Cuba” zich tot een kritiekloos en mager napraten van officiële communiqués of een apologetische houding, uit angst de tegenstrever al te veel munitie te geven.
Deze opstelling verhindert een dieper inzicht in de politieke, economische en sociale uitdagingen/problemen waar de Cubanen voor staan. Het maakt ook het debat in onze contreien over de toekomst van het Cubaanse experiment en het socialisme in het algemeen bijzonder mager. Dit in schril contrast met de heropleving van het kritisch debat in Cuba zelf.

Veel Cubaanse jongeren, maar ook oud-ministers, kaders van de Cubaanse Communistische Partij, economen en juristen, participeren aan de debatten op het eiland en daarbuiten, vooral online.
Janette Habel, politiek sociologe , verbonden aan de Universiteit Paris VIII, onderzoekster aan het Instituut voor Hogere Latijns-Amerikaanse Studies, medewerkster aan talrijke publicaties, waaronder Le Monde Diplomatique en medewerkster aan het Cubaanse tijdschrift “Cuba Posible” is op geëngageerde wijze de ontwikkelingen op Cuba steeds blijven volgen. Meer dan 40 jaar na haar eerste verblijf op Cuba schreef zij onlangs een uitgebreid artikel over de betekenis van de nieuwe Grondwet.
Met welke moeilijke uitdagingen wordt de nieuwe leidende ploeg geconfronteerd?
Wat is de betekenis van de grondwetswijziging en hoe belangrijk zijn de voorgestelde hervormingen van de instellingen?
Janette Habel overschouwt het aan gang zijnde debat.
In vertaling brengen wij haar bijdrage in de hoop dat onze lezers zich gesterkt zullen voelen om in een open geest ook hun bijdrage te leveren. De oorspronkelijke Spaanse en Franse versie kan je terugvinden op respectievelijk Viento Sur en op de website van CAIRN, Revue internationale et stratégique.
Vertaling en inleiding: Koen Meul.

De Cubaanse economie evolueert al vele jaren in stapjes naar liberalisering.
Geconfronteerd met een aanhoudende crisis, veroorzaakt door de historische economische afhankelijkheid, verergerd door het Amerikaanse embargo en de herhaalde mislukkingen van een gecentraliseerde bureaucratische economische planning, heeft de leidende groep rond Raúl Castro zich gericht op het Vietnamese – of Chinese – model, hierbij gesteund door de militairen, die een deel van de economie leiden en door talrijke Cubaanse technocraten en economen.
De huidige ontwikkelingen en vooral het ontwerp van de nieuwe grondwet dat in juli 2018 door de Nationale Vergadering werd aangenomen moeten in het perspectief van actualisering van het Cubaanse model begrepen worden .
In dit voorontwerp wordt voor de eerste maal het privé-eigendom erkend. Het voorstel consolideert ook de hervormingen die reeds waren goedgekeurd door de laatste twee congressen van de Cubaanse Communistische Partij (PCC) in 2011 en 2016, onder voorzitterschap van Raúl Castro, en zal eind 2018 aan een referendum worden onderworpen.
Hoe “een van de meest complexe economische systemen ter wereld” hervormen?”, vraagt de voormalige Britse ambassadeur in Cuba, Paul Hare 1 zich af. Dit wordt de komende drie jaar de uitdaging voor Miguel Diaz-Canel, de nieuwe president.
De tenuitvoerlegging van de richtsnoeren (“Richtsnoeren voor de actualisering van het socialisme” 2) is in 2011 van start gegaan. In 2017 keurde de Nationale Vergadering twee documenten goed die het nieuwe economische en sociale beleid specificeren: een tekst over de “Conceptualisering van het Cubaanse economische en sociale model van socialistische ontwikkeling” 3, evenals een herziene versie van deze “Richtlijnen”. Tot in 2018 de structurele hervormingen plaats maakten voor een ontwerp van grondwetshervorming: een herziening die onontbeerlijk was geworden door de tegenstrijdigheid tussen de economische liberalisering en de oude grondwet.
Hoewel de grondwet van 1976 – rechtstreeks geïnspireerd door de Sovjet grondwet – al was gewijzigd, is het de eerste keer dat deze zo ingrijpend wordt herzien.
Het was te voorzien dat een grondwetswijziging aanleiding zou geven tot belangrijke debatten omwille van hun politieke en sociale impact en dat op een ogenblik dat de Cubaanse samenleving diepe en gelijktijdige mutaties ondergaat: generatieopvolging, herdefiniëring van economisch beleid met de invoering van markthervormingen, institutionele wijzigingen, ideologische bijstellingen. Bovendien vinden deze mutaties plaats in een onstabiele internationale en regionale context. Afgezien van de onzekerheden in verband met het presidentschap van Donald Trump is het Latijns-Amerikaanse landschap veranderd. De Venezolaanse, Nicaraguaanse, Braziliaanse en Argentijnse crisissen, de draai van de nieuwe Ecuadoraanse president Lenín Moreno, beperken de economische en diplomatieke ruimte waarvan het Cubaanse regime in het eerste decennium van de 21ste eeuw kon profiteren. Het is in deze riskante context dat de Cubaanse overgang plaatsvindt. Officieel gaat het om een overgang van een gecentraliseerde en structureel ontoereikende economie naar een economie die werkt volgens marktmechanismen, maar dan wel gereguleerd door een sterke staat, “in socialistisch perspectief”, gewaarborgd door een enkele partij, de PCC”(Cubaanse Communistische Partij). “Een cruciaal historisch moment”, aldus Miguel Díaz-Canel in zijn eerste presidentiële toespraak. De grondwetsherziening moet in november 2018 aan een referendum worden onderworpen en moet de strategische oriëntaties die de regering van Raúl Castro voorstond verduidelijken. Vandaar het belang van de discussies die voor het eerst op die schaal worden gevoerd sinds het grote publieke debat over economische strategie (onder Ernesto Che Guevara in 1963-1964). Discussies vergemakkelijkt door o.m. de toename van het aantal online blogs. In vergelijking met de grondwet van 1976 wijzigt de nieuwe tekst 113 artikelen, voegt er 87 aan toe en schrapt er 11.
Voor de Uruguayaan Luis Almagro, secretaris-generaal van de Organisatie van Amerikaanse Staten (OAS), is de lopende overgang “onwettig”. Voor hem telt alleen dat de verkiezing van Miguel Díaz-Canel door de Nationale Vergadering “heeft plaatsgevonden zonder vrije meningsuiting van het Cubaanse volk. Volgens nog anderen zou Miguel Diaz-Canel gekozen zijn om “alles te veranderen zodat er niets verandert”. In werkelijkheid is de nieuwe president van plan om de stabiliteit en de continuïteit van het regime te bewaren, maar door de economische en sociale fundamenten die het meer dan een halve eeuw hebben laten voortbestaan, te wijzigen.

Een bijzonderheid van de Cubaanse situatie is ogenschijnlijk paradoxaal: de spectaculaire groei van de sociale ongelijkheid als gevolg van de economische hervormingen, ondanks de voorzichtige traagheid waarmee zij worden uitgevoerd. De sociale en ideologische gevolgen van de hervormingen worden door waarnemers gewoonlijk onderschat, die bijna enkel de continuïteit van het politieke systeem benadrukken.

Eigendom en structuur van de werkgelegenheid

De grondwet van 1976 bepaalde dat “de Republiek Cuba wordt geregeerd door een socialistisch economisch systeem dat gebaseerd is op het socialistische eigendom van de productiemiddelen door het volk en op de uitbanning van de uitbuiting van de mens door de mens”. Hoewel persoonlijk of familiaal eigendom werd toegestaan, werd de uitbuiting van het werk van anderen uitgesloten. De in 2017 aangenomen tekst over de “Conceptualisering van het model” erkent als een “essentieel” en “primordiaal” principe “het socialistische eigendom van het ganse volk over de productiemiddelen”, maar specificeert “dat verschillende vormen van eigendom en beheer erkend en gediversifieerd moeten worden en “dat er een onderscheid moet worden gemaakt tussen de uitoefening van de bevoegdheden als eigenaar en die van bezit of beheer”. “De tijdelijke overdracht van eigendom of beheer van verschillende productiemiddelen, die eigendom zijn van het gehele volk, aan niet-overheidsactoren betekent geen privatisering”.

Het voorontwerp van Grondwet (artikel 21) erkent de rol van de – gereguleerde – markt en van “andere eigendomsvormen, coöperatief eigendom, gemengd eigendom en particulier eigendom”. De tekst benadrukt ook het belang van buitenlandse investeringen – in een “gedekapitaliseerd” land – voor de economische ontwikkeling. Dit voorstel, dat reeds eerder werd aangenomen, is gericht op het aantrekken van buitenlandse valuta en het verlichten van de interne economische problemen.

De opname in de grondwet van de openstelling voor privékapitaal bevestigt de hervormingen die sinds 2006 door Raúl Castro worden bevorderd, in het bijzonder de legalisering van zelfstandig werk, met name in de horeca, het vervoer en het toerisme in het algemeen. Het ontwerp valideert de nieuwe arbeidswet, die in 2014 is aangenomen en waarin de tewerkstelling van loontrekkenden door een werkgever buiten de familiale sfeer wordt erkend. Deze nieuwe arbeidswetgeving had het bestaan van werkgevers en werknemers al geformaliseerd door wettelijke garanties te formuleren die de rechten en plichten van beiden specificeren, terwijl tot dan toe de voorwaarden van werkgever en werknemer vaak door elkaar werden gehaald. Voor het eerst is er een hoofdstuk dat volledig gewijd is aan de particuliere sector en dat “de arbeidsverhoudingen regelt”. Artikel 74 geeft de minimumrechten aan die de werkgever in acht moet nemen: een werkdag van 8 uur, een maximale wekelijkse arbeidsduur van 44 uur, een beloning minstens gelijk aan het minimumloon, een wekelijkse rustdag en 7 dagen betaald verlof per jaar. Deze rechten staan ver van de werkelijkheid van de werknemers in deze sectoren. In tal van persartikelen wordt het gebrek aan respect voor de rechten in verband met moederschap, vakantie, arbeidsongevallen en weekroosters aan de kaak gesteld.

Het document over de “Conceptualisering van het model” specificeert dat “de toeëigening van de opbrengsten van de arbeid in de privésector plaatsvindt in een context van socialistische productieverhoudingen, waardoor die onderscheiden zijn van sociale systemen die gebaseerd zijn op de exploitatie van andermans werk”. Met andere woorden, de overheersende rol van “socialistische productieverhoudingen” zou voldoende zijn om de aard van de uitbuiting van werknemers in de particuliere sector te veranderen. Dit zal zeker niet de mening zijn van werknemers die onder precaire omstandigheden werken.

Raúl Castro had de nadruk gelegd op “de diepgaande democratische geest” die ten grondslag lag aan deze nieuwe arbeidswet en had “de actualisering van het sociaal beleid verwelkomd, waarin de rechten en plichten van werknemers en werkgevers in zowel de staat als in de particuliere sector worden omschreven”. 4. De terminologische dubbelzinnigheden over het statuut van de werknemers in de particuliere sector en hun werkgevers zijn echter een aanwijzing voor de benarde situatie van de autoriteiten. Zij, die voor eigen rekening werken (“cuenta propistas”), de werkgever en zijn werknemer “zijn vaak in dezelfde categorie ondergebracht en soms wordt de ondergeschikte relatie tussen de eigenaar van het bedrijf en de werknemer ontkend,” merkt Arthur Brault Moreau op 5. Het bestaan van een privé patronaat, de relatie van uitbuiting die het met zijn werknemers onderhoudt, is niet populair in een maatschappij waarin het discours van Fidel de wandaden van de uitbuiting al meer dan vijftig jaar aan de kaak stelde.

Deze veranderingen in de structuur van de werkgelegenheid hebben aanzienlijke gevolgen. “Een van de Gordiaanse knopen die onze samenleving dient door te hakken heeft te maken met het feit dat zij in verschillende economisch en sociaal ongelijke segmenten is verscheurd en versplinterd. De meerderheid van de bevolking – werknemers en werknemers in de overheidssector, gepensioneerden – krijgt niet voldoende inkomen om van te leven, hoewel de medische diensten en het onderwijs gratis zijn,” merkt voormalig leider Humberto Pérez op 6. In een openbare bijeenkomst georganiseerd door het Cubaanse tijdschrift TEMAS in maart 2016 verduidelijkt Jesús García Brigos : “Bijna 30% van de actieve bevolking behoort al tot de niet openbare sector. Ja, we kennen kapitalistisch eigendom, zij die werken voor eigen rekening zijn kleine en middelgrote ondernemingen, waarvan sommige zeer belangrijke opkomende entiteiten zijn…. We moeten een einde maken aan dit eufemisme van de “cuenta propistas”; velen van hen leven, denken, functioneren en werken als bedrijf en hebben tientallen werknemers”.

Het openstellen van de economie voor de particuliere sector is niet alleen een economische, maar ook een sociale en politieke uitdaging. Naast de aangegeven “cuenta propistas” – ongeveer 600.000 in 2018 op een actieve bevolking van 4.474.800 mensen volgens officiële cijfers – moeten we er een aantal niet gedeclareerde, moeilijk te schatten maar zeer talrijke cuenta propistas in de informele economie aan toevoegen.

De sociale spanningen worden nog verergerd door de economische en commerciële impact van de Cubaans-Amerikaanse diaspora. Zoals een deelnemer aan de bijeenkomst van het tijdschrift TEMAS opmerkte: “We mogen niet uit het oog verliezen dat de reproductie van de sociale relaties in Cuba plaatsvindt in een kapitalistische omgeving en in een context van specifieke banden met de Verenigde Staten. Familiebanden met Cubaans-Amerikanen maken het feitelijk mogelijk om te investeren in handel, kleine en middelgrote ondernemingen of in de vastgoedsector, waardoor een “belastingvrije bourgeoisie” ontstaat 7. De sociale samenstelling is al veranderd in sommige wijken van de hoofdstad, waar een nieuw type eigenaar verschijnt die een meer dan aanzienlijke koopkracht heeft. Het document over de “Conceptualisering van het model” specificeert “dat eigenaars natuurlijke of rechtspersonen kunnen zijn, Cubaans of buitenlands. De oprichting van volledig buitenlandse ondernemingen, met name om moderne productiecapaciteit te ontplooien voor de economische ontwikkeling, wordt aangemoedigd en toegestaan” 8.

Concentratie van rijkdom en sociale ongelijkheden

Desalniettemin hebben de hervormingen de economische groei niet gestimuleerd, maar vooral de sociale ongelijkheden en de kosten van levensonderhoud vergroot. Vandaar de bezorgdheid van de regering, die vreest voor de ontevredenheid van de bevolking. De groei van de Cubaanse economie bedroeg in het eerste semester van 2018 slechts 1,1%. De opmars van ongelijkheden en de concentratie van inkomen en rijkdom lijken de centrale aandachtspunten in het debat over de hervorming van het economisch model. Tegelijk is de armoede toegenomen. Zij wordt over het algemeen geschat op 20% tot 25% van de bevolking. De volksmond spreekt nu over nieuwe rijken en nieuwe armen.

Het contrast tussen de situatie van de overheidswerknemers – de meerderheid van de actieve bevolking (70%) – en die van de particuliere sector illustreert de versplintering die de samenleving aantast. De lonen in de publieke sector zijn zeer laag – over het algemeen lager dan in de particuliere sector – en volstaan niet voor de dagelijkse levensbehoeften – een officieel erkend feit – terwijl de grondstofprijzen stijgen en de zwarte markt floreert. Lázaro González Rodríguez, hoogleraar aan de Universiteit van Havana, “bevestigt dat veel arbeiders over het algemeen ontevreden zijn over de materiële en geestelijke omstandigheden van hun job” 9. Uit een willekeurige en anonieme enquête uitgevoerd op werkplekken in bijna alle provincies bij 2.136 werknemers 10 (meestal van openbare bedrijven die door de strijdkrachten 11 volgens rentabiliteitscriteria worden beheerd) blijkt dat 45% denkt dat beroepspromoties niet overeenkomen met competenties of verdiensten, 58% dat de werkgevers de ethische code niet respecteren, 62% is ontevreden over hun werkomstandigheden. Het lage salarisniveau is het meest kritische element van de enquête, met 93% van de antwoorden die wijzen op grote ontevredenheid. Zijn/haar toevlucht nemen tot een andere baan of een niet aangegeven privé-activiteit is gebruikelijk, en diefstallen in de overheidssector vormen soms een aanvulling op het officiële salaris.

Staatsbedrijven vertegenwoordigen de meerderheid van de ondernemin-gen en het banenverlies is er zeer aanzienlijk, gecompenseerd door de ontwikkeling van de particuliere sector. Eind 2016 waren er 1.904 overheidsbedrijven, tegenover 2.250 in 2012 12. Volgens officiële gegevens wordt er minstens 30% gesubsidieerd omdat ze onrendabel zijn – sommige schattingen zijn hoger – voornamelijk vanwege overbezetting. Op een actieve bevolking van 4.474.800 mensen werken er vandaag de dag 3.174.800 in de overheidssector en ongeveer 1.300.000 in de particuliere sector.

Het wantrouwen dat op de overheidssector rust, heeft politieke gevolgen. Zoals de Cubaanse journalist Javier Gómez Sánchez opmerkt: “De hogere salarissen die werknemers uit de particuliere sector ontvangen, verklaren dat de privé-ondernemer […..], hoe hard hij ook is, niet wordt beschouwd als een uitbuiter maar als een weldoener”. Een politieke uitdaging voor een regering, wier beleid aarzelt tussen de bereidheid om door te gaan met de hervormingen en de noodzaak om de sociale effecten te beheersen die haar politieke overheersing in het gedrang kunnen brengen. Zo moeten we de in 2017 genomen maatregelen begrijpen, die de toekenning van nieuwe vergunningen voor autobedrijven, restaurants of toeristische accommodaties blokkeren. Het doel is om de uitbreiding van particuliere restaurants en onroerend goed-speculatie in Havana’s toeristische wijken, veelal gefinancierd door Cubaans-Amerikaanse transfers te beperken. De nieuwe regelgeving die in juli 2018 is gepubliceerd (beperking van zelfstandige arbeid tot één type activiteit en een ontmoedigende belastingheffing voor restauranthouders met meer dan 20 werknemers 13) toont de vrees van de autoriteiten dat zich sociale categorieën ontwikkelen die aan hun controle ontsnappen. Marino Murillo 14, voormalig minister van Economie en hoofd van de Permanente Commissie voor de uitvoering van het nieuwe economische beleid, erkende in februari 2018 dat de uitvoering van de hervormingen onder het mandaat van Raúl Castro “meer fouten dan voordelen” had opgeleverd door de kloof tussen de oorspronkelijke doelstellingen en de praktijk, met toenemende impopulariteit tot gevolg 15.

Een ander impopulair voorstel is de afschaffing van de “libreta” (rantsoenkaart), die aan het begin van de revolutie werd ingevoerd als een recht dat iedereen een vitaal minimum garandeerde. Het moet voortaan selectiever worden toegekend. De tekst over de “Conceptualisering” geeft aan dat gesubsidieerde producten voorbehouden zijn aan mensen in nood. Hoewel deze maandelijkse korf basisproducten momenteel slechts twee weken meegaat, is hij onmisbaar voor de meest kansarmen. De omvorming ervan tot een sociaal werk voor de armen wordt door een bevolking die zeer gevoelig is voor gelijke rechten als een voorwaarde voor gelijkwaardigheid slecht onthaald.

Een risicovolle monetaire hervorming

De voorzichtigheid van de overheid is des te groter omdat de uitdaging van een monetaire hervorming aan de orde van de dag is 16. Sinds de jaren negentig zijn er in Cuba twee valuta’s in omloop: de Cubaanse peso (CUP), de nationale valuta, en de in vreemde valuta (CUC) converteerbare peso, gelijk aan de dollar en 24 CUP. Deze dubbele munt leidt tot ernstige verstoringen in de boekhouding van ondernemingen. Het is ook schadelijk voor staatsbedrijven en op macro-economisch niveau. Het vertaalt zich ook in grote verschillen in de levensstandaard van de bevolking. Vandaag de dag is de CUC een veroorzaker van ongelijkheden die ten goede komt aan degenen die er toegang toe hebben, vooral dankzij het toerisme of familietransfers.

De monetaire hervorming, aangekondigd in 2013, maar nooit uitgevoerd, bestond uit het verenigen van de twee valuta’s, wat technisch complex en sociaal risicovol is. Volgens Cubaanse economen zou de toepassing ervan kunnen leiden tot een stijging van de inflatie en tot ontslagen. Maar volgens dezelfde economen is het op korte termijn onvermijdelijk, omdat het systeem vandaag aan de overheid ontsnapt. In zijn toespraak voor het Parlement op 21 december 2013 had Raúl Castro verklaard dat het niet veel langer kon worden uitgesteld: “de dubbele valuta en wisselkoers […..] bevordert de onrechtvaardigheid van de omgekeerde piramide waarin hoe groter de verantwoordelijkheid hoe geringer de beloning is, wat verklaart waarom capabele burgers niet gemotiveerd zijn om legaal te werken; tegelijkertijd wordt de bevordering naar hogere posities van de beste werknemers, de best opgeleiden en de kaders ontmoedigd, wat ertoe leidt dat sommigen zich richten op de niet-overheidssector”. President Miguel Díaz Canel en de nieuwe leidende ploeg worden bijgevolg verantwoordelijk voor deze beslissing “in het kader van de verdere actualisering van het socialisme”.

Maar naarmate de actualisering noodzakelijker wordt, geven de richtinggevende debatten aanleiding tot verschillende, zelfs uiteenlopende opvattingen. Ondanks de officiële geheimhouding blijken er nu toch enkele belangrijke te onderscheiden stromingen in het denken over het doel van de hervormingen te bestaan. Voor de technocraten en enkele invloedrijke Cubaanse economen, maar ook voor de militairen die betrokken zijn bij de economie, gaan de hervormingen niet snel en niet breed genoeg, wat de slechte resultaten ervan zou verklaren. Anderen, waaronder leden van het partijapparaat, soms beschouwd als voormalige aanhangers van Fidel, vinden dat ze te snel gaan en het sociale model in gevaar brengen. Een andere deel legt de klemtoon op de beperktheid van de volksparticipatie, bekritiseert de bureaucratie en betwist de ideologische rechtvaardigingen van de overheid. Onderzoeker Arantxa Tirado spreekt van “meerdere visies die ruwweg samengevat kunnen worden als etatistische, economische en zelfbeherende opvattingen” 17. De Cubaanse politicoloog Juan Valdés Paz van zijn kant onderscheidt “sociaaldemocratische, sociaalliberale, Sovjet-, guevaristische en kritisch socialistische opvattingen”.18. In ieder geval verwijst het dominante concept naar het “Vietnamese model” (1986), dat wil zeggen, een “socialistisch georiënteerde markteconomie”.

De Grondwet: reële, maar beperkte veranderingen in de instellingen

Hoewel de economische hervorming centraal staat worden ook politieke veranderingen in de nieuwe grondwet opgenomen, waarvan sommige al aangekondigd door Raúl Castro. De ambtstermijn van de president en “van de belangrijkste functies van het land” wordt voortaan teruggebracht tot twee termijnen van vijf jaar en de leeftijd van de president mag niet meer dan 60 bedragen. De opvolger van Raúl Castro, Miguel Díaz-Canel, is president van de Republiek, maar zal niet langer voorzitter van de Raad van State en van de Raad van Ministers zijn. De toekomstige institutionele hiërarchie zal bestaan uit een president van de republiek, een vicepresident en de nieuwe functie van minister-president die verantwoordelijk is voor het regeringsbeleid. Deze differentiatie van politieke functies impliceert een zekere deconcentratie van de macht, hoewel de toekomstige oriëntatie van de PCC nog niet bekend is. Raul Castro zal in 2021 niet langer eerste secretaris zijn en Miguel Diaz-Canel moet hem opvolgen in deze sleutelpositie. Het is echter niet bekend wie de huidige tweede secretaris, José R. Machado Ventura, zal opvolgen, een belangrijke persoonlijkheid voor wie echter voorbehoud bestaat vanwege zijn als bureaucratisch beschouwde gedrag.

De tekst bevestigt de rol van de PCC als één partij, “loyaal en marxistisch-leninistisch”, “georganiseerde voorhoede van de Cubaanse natie, leidende kracht van de samenleving en de staat”, gedefinieerd als “socialistische rechtsstaat”. De secretaris van de Raad van State, Homero Acosta, benadrukte in een ongebruikelijk communiqué “het overnemen van het concept van de rechtsstaat geïnspireerd vanuit het liberale burgerlijke denken van de negentiende eeuw”: “We hebben het opnieuw geëvalueerd om het op te nemen. Het begrip is nooit gedefinieerd of toegepast, wat zijn gevolgen had. Het is een van de factoren die de staten [van het voormalige “socialistische kamp”] hebben ondermijnd”. Een analyse die afwijkt van een aantal officiële verklaringen die suggereren dat de val van de Sovjet-Unie het resultaat was van een imperialistisch complot. In deze “socialistische rechtsstaat” zouden de rechten van vergadering, demonstratie en vereniging worden erkend, zij het onder de voorwaarde dat hun doelstellingen “wettig en wettelijk erkend” zijn 19. Politiek pluralisme als zodanig wordt niet erkend. Dit is een fundamentele beperking op een moment dat er een nieuw pluralisme in de samenleving in de maak is en er binnen de CCP verschillende gevoeligheden zijn.

Een autonome sociale ruimte tot stand brengen die de belangen van het volk vertegenwoordigt, de rol van het recht herdefiniëren en het politieke pluralisme in de specifieke omstandigheden van het eiland erkennen, het Cubaanse socialisme als een socialisme van het recht hervinden, het zijn eisen die door veel Cubaanse juristen en historici worden verwoord 20. Er zijn al stemmen opgegaan die oproepen tot de bijeenroeping en verkiezing van een Grondwetgevende Vergadering en als antwoord kunnen gezien worden op de verklaring van Homero Acosta dat “de stemming bij referendum voldoende is om het volk om te vormen tot Grondwetgevend volk”. Merken we ook op dat voor het eerst 1,4 miljoen Cubanen die in het buitenland wonen, meestal in de Verenigde Staten, worden uitgenodigd om deel te nemen aan het debat op een speciale website, hoewel zonder stemrecht. Het probeert de Cubanen uit het buitenland geleidelijk te integreren in de ontwikkeling van het land en zo de historische verdeeldheid te overwinnen.
Op maatschappelijk vlak wordt het huwelijk geherdefinieerd als “een unie tussen twee mensen”, wat de weg opent naar het homohuwelijk, een kleine revolutie op een eiland van machotradities. De publieke controverse over deze maatschappelijke revolutie dreigt echter het debat over economische hervormingen te overschaduwen.

Wat voor socialisme?

Zoals Juan Valdés Paz opmerkt, “was de korte karakterisering van het socialisme zoals voorgesteld door het 6de Congres van de PCC in de Richtlijnen van 2011 – “Gelijkheid van rechten en kansen voor alle burgers – zeer ontoereikend in vergelijking met de opvattingen over socialisme zoals die in vorige congressen werden gedefinieerd” 21.

Juan Valdés Paz

Waar komt deze verwarring vandaan? Ten eerste, de onnauwkeurigheid van het officiële ideologische betoog over de rechtvaardigingsgrond van de hervormingen.
Ook de afschaffing van de term “communisme” in het voorontwerp van Grondwet heeft veel inkt doen vloeien. “Als we niet van plan zijn om tot een communistische samenleving te komen, waarom handhaaft de Communistische Partij die in de grondwet wordt gedefinieerd als de “leidende kracht van de samenleving en de staat die omschrijving dan ?”, vraagt Alina López Hernández 22. Zoals Arturo López Lévy, een Cubaans-Amerikaanse hoogleraar aan de Universiteit van Texas, opmerkt, vergemakkelijkt deze weglating “de discussie tussen elites en basis over de hervormingen” en “vermijdt het een ter discussie stellen van de ontwikkeling van de ongelijkheid”. Een van de moeilijkheden die de regering ondervindt heeft te maken met de egalitaire gevoeligheid en solidariteit die diep geworteld is in de bevolking. Sociale rechtvaardigheid, die bedreigd wordt door de hervormingen, blijft een pijler van revolutionaire legitimiteit.

De officiële ideologische rechtvaardiging van de hervormingen leidt tot teleurgestelde commentaren. De kritiek van de overheid op het “paternalisme” en op het egalitarisme botst met de vele Cubanen die in moeilijke omstandigheden leven, terwijl ze moeten toezien hoe “een kleine burgerij met een nieuw kapitalisme” zichzelf verrijkt. Dit bleek in het belangrijke debat over de weigering van de opstellers om het beperken van de rijkdom in het voorstel van grondwet op te nemen. Alicia Alonso Becerra, directeur van de Technologische Universiteit van Havana, heeft ook voorgesteld om “de concentratie van rijkdom” te reguleren. Haar voorstel is verworpen omdat “hoewel het wettelijk mogelijk is om de eigendom te reguleren door de concentratie van eigendom bij niet-overheidsactoren te verbieden, door arbeid voor eigen rekening tot één vergunning te beperken of door de hoeveelheid grond die in vruchtgebruik wordt toegekend te beperken tot één enkele vergunning, het zeer moeilijk is om de monetaire rijkdom die uit verschillende bronnen wordt verkregen kwantitatief te beperken”.
Het onderwerp ligt zeer gevoelig. Om, zoals sommigen suggereren, “sommige corrupte bureaucraten” 23 en (clandestiene) financiële transfers uit de diaspora ongemoeid te laten? Het lijdt geen twijfel dat de kwestie opnieuw aan de orde komt in de debatten die aan het referendum voorafgaan.

Een andere uitdaging is het betrekken van jongeren bij de politiek. Deze generatie, de “Speciale Periode-generatie” (een periode van grote beperkingen na de ineenstorting van de Sovjet-Unie), die steeds meer wordt aangetrokken door de levensstijl van de consumptiemaatschappij, moet door de nieuwe leiders aantrekkelijke perspectieven worden geboden. In deze context zijn we getuige van een heropleving van de politieke discussies op het internet. Velen van hen, maar ook ex-ministers, kaders van de Cubaanse Communistische Partij, economen, juristen, nemen deel aan de debatten. Een van de amendementen die tijdens de discussie in het Parlement zijn voorgesteld, betreft de persvrijheid. Het censureren van protesten van burgers in de officiële media wordt bekritiseerd. Miguel Diaz-Canel’s rigide toespraak in het Congres van Journalisten werd sterk gecontesteerd. Een van de websites die de Cubaanse revolutionaire traditie claimen, “La Joven Cuba”, heeft scherpe kritiek geuit, waarvoor het door de leiders is aangevallen. Een andere publicatie, “Cuba Posible”, gesteund door een christelijke niet-gouvernementele organisatie, is onder politieke druk komen te staan. Decreet 349, ondertekend door president Miguel Díaz-Canel, dat aan het Ministerie van Cultuur censuurbevoegdheid verleent, heeft geleid tot protesten van kunstenaars 24. Tegenover de sociale spanningen en de politieke debatten, op gang gebracht door de hervormingen, zet de nieuwe regering het autoritaire beleid van haar voorgangers op diverse manieren voort.

Tot slot ligt in het ontwerp van nieuwe grondwet een tegenstrijdigheid vervat tussen enerzijds de groeiende diversificatie van de Cubaanse samenleving onder invloed van de marktontwikkelingen en anderzijds het voortzetten van een politieke vertegenwoordiging, waarin alleen de Communistische Partij de verenigende factor is. Om die tegenstrijdigheid op te lossen is het niet voldoende haar rol in de Grondwet op te nemen. Voormalig minister Humberto Pérez is bezorgd: “In deze omstandigheden moet de dreiging dat een kapitalistisch alternatief zou kunnen floreren ernstig worden genomen,geen pessimistische en alarmerende veronderstelling, maar gewoon een realistische prognose waartegen we moeten optreden” 25.

Zal de nieuwe grondwettelijke legaliteit het mogelijk maken om dit te vermijden? Raúl Castro’s antwoord aan de Nationale Vergadering op 24 februari 2008 was categorisch: “Ik ben niet gekozen tot president om het kapitalisme in Cuba te herstellen of om de revolutie te beëindigen. Ik ben gekozen om het socialisme te verdedigen en te blijven vervolmaken, niet om het te vernietigen. Deze overtuiging leidt ons tot een opvatting die dicht bij die van de Vietnamese of Chinese communistische partijen ligt, volgens welke een autoritair regime, gebaseerd op de communistische partij als enige partij, garant staat voor de bescherming van het socialisme. Nochtans lijkt dit model om historische, culturele, demografische en vooral geopolitieke redenen weinig aangepast aan de Cubaanse realiteit. Washington wil wraak nemen. Donald Trump heeft het beleid van de “big stick” en economische sancties hernomen, en Juan Valdes Paz vraagt zich af: “Hoe kunnen we uiteindelijk met de gevaren van de economische openheid omgaan? Met meer democratie. We hebben een enorm tekort op dit gebied. Die waren en zijn legitiem in de confrontatie met de Verenigde Staten. Maar het socialisme kan de beloofde democratie niet voor onbepaalde tijd uitstellen” 26.


  1. Paul Hare, «The Cuban Economy», ReVista. Harvard Review of Latin America, verano 2005.
  2. Verder geciteerd in de tekst als “richtsnoeren” of “richtlijnen”.
  3. Verder geciteerd in de tekst als “conceptualisatie”.
  4. Redevoering in de Nationale Vergadering, 13/12/2012.
  5. Arthur Brault Mareau, Auto entreprise ou salariat? Les rélations salariales entre ouverture économique et permanence politique: le cas des restaurants privés à La Havane, Mémoire, IEP de París, 2017.
  6. Humberto Pérez, «Principales debilidades actuales del modelo y perspectivas de nuestro modelo», Temas, 6, octubre 2016.
  7. Luis Tinoco, «Apertura a la caribeña», El País, 10/04/2016.
  8. p. 29.
  9. Lázaro González Rodríguez, «Una muestra de lo que ocurre en la esfera laboral», Elestadocomotal, 16/07/2018
  10. Volgens Lázaro González Rodríguez behouden de gegevens van de enquète, die dateren van 2009 hun geldigheid.
  11. Een analyse van het economisch belang van GAESA(Grupo de Administración de Empresas, Groepering voor Bedrijfsbeheer,die onder controle staat van het leger) gaat het kader van dit artikel te buiten.
  12. Elestadocomotal, 3/05/2017 en 20/06/2018.
  13. «Cuba’s new constitution preserves Communist power», The Economist, 26/07/2018.
  14. Marino Murillo wordt niet langer vermeld in het nieuwe organigram noch van de Staatsraad noch van de Raad van Ministers
  15. EFE, 24/02/2018
  16. Flore Pavy, «La double monnaie cubaine», Masterthesis, EHESS, 2014.
  17. Arantxa Tirado, «Cuba, restos políticos y económicos en un contexto pre-electoral», celag.org, 29/01/2018.
  18. Politoloog en professor aan de Universiteit van Havana, geïnterviewd door de auteur, 2016.
  19. Onderlijning van de auteur.
  20. Julio Antonio Fernández Estrada y Julio César Guanche, voorwoord van het boek van Hugo Azcuy, Análisis de la Constitución cubana y otros ensayos, Panamá, Ruth Casa Editorial, 2010.
  21. Interview met de auteur, 2016.
  22. Alina Bárbara López Hernández, «¿Fines sin medios o medios sin fines?», La Joven Cuba, 8/8/2016.
  23. La Joven Cuba, Riqueza y propiedad, 27/8/2018, mariojuanvaldes@gmail.com
  24. Het decreet moet van kracht worden in december 2018.
  25. Humberto Pérez, op.cit.
  26. Juan Valdés Paz, op.cit.