Cuba is arm, maar wie of wat is daarvoor verantwoordelijk ?

Castro of 50 jaar economische blokkade door de VS ?

door Helen Yaffe
Vertaling: Agnes Hollanders voor Vrienden van Cuba – Antwerpen.

Het gebeurt uiterst zelden dat er van een wetenschapster van de prestigieuze London School of Economics(Department Economic History) in een solidaire bijdrage haar licht laat schijnen over Cuba. Helen Yaffe is auteur van een boek over de belangrijke problemen van de overgang naar het socialisme en het debat hierover in Cuba ten tijde van Che. De oorspronkelijke (Engelstalige) bijdrage en haar blog vind je hier. Helen Yaffe is onderzoekster economische geschiedenis aan de London School of Economics (LSE), auteur van “Che Guevara: The Economics of Revolution” (2009) en medebeheerder van een gezamenlijk project “Latijns Amerika en de Caraïben – de toenadering tussen de VS en Cuba : Building Resilience in a Transition Economy”.

Niet alleen werd Fidel Castro vanaf het begin afgeschilderd als een “nietsontziende dictator”, maar ook na zijn dood in november 2016 waren de negatieve commentaren niet uit de lucht. Men had het over “wanbeheer in de Cubaanse economie” en de daaruit voortvloeiende “extreme armoede” van de gewone Cubanen.

Fidel Castro werd en wordt vaak met de vinger gewezen voor de slechte economische toestand in zijn land, maar door het langdurige VS-embargo en de vraag wat een economie nu eigenlijk succesvol maakt, ligt de kwestie veel ingewikkelder, zegt Helen Yaffe.

Deze karikatuur van de Cubaanse economie is problematisch. Niet alleen omdat ze de 55-jaar durende verwoestende impact van het Amerikaanse embargo negeert, maar ook omdat ze gebaseerd is op neoklassieke economische hypothesen 1. Door het economische beleid sterker te benadrukken dan de opgelegde economische beperkingen, krijgen criticasters de kans de verantwoordelijkheid voor de beweerde Cubaanse “armoede” in de schoenen van Castro te schuiven, zonder dat de achtereenvolgende VS-administraties, die het verstikkende embargo aan Cuba opleggen, in het vizier komen.
Deze benadering negeert tevens essentiële vragen over Cuba na de revolutie. Hoe kunnen landen met gemiddelde en lage inkomens het nodige kapitaal verwerven om te investeren in infrastructuur en diensten? Hoe kan je kapitaal vergaren in omstandigheden die deze ontwikkeling niet in de weg staan, en hoe kan een “laat” ontwikkeld land zoals Cuba, de internationale handel gebruiken om een surplus te creëren in een globale economie, die volgens velen eerder “ongelijke handelsrelaties” bevordert ?
Het was juist de zoektocht naar antwoorden op de uitdagingen van de economische ontwikkeling die de Cubaanse revolutionaire regering ertoe bracht voor een socialistisch systeem te opteren. Zij koos voor een centrale planeconomie waarin staatseigendom de voorrang kreeg, omdat zij meende dat dit systeem de beste instrumenten aanreikte om deze historische uitdaging te kunnen aangaan.
De keuze om te functioneren binnen een socialistisch kader bracht echter bijkomende hindernissen en complicaties met zich mee, vooral in de context van een bipolaire wereld (koude oorlog). In mijn boek “Che Guevara: The Economics of Revolution”(Che Guevara: de economie van de revolutie)2 onderzoek ik de tegenstellingen en moeilijkheden waarmee het jonge revolutionaire regime te maken kreeg gezien vanuit het perspectief van Guevara in zijn rol van gouverneur van de Nationale Bank en als Minister van Industrie.
De literatuur over Cuba wordt gedomineerd door de zogenaamde “Cubanologie”. Dit is een academische stroming die van centraal belang is voor de politieke en ideologische tegenstanders van het Cubaanse socialisme en waarvan het ontstaan en de banden met de Verenigde Staten goed gedocumenteerd zijn. Hun argument is dat de revolutie alles heeft veranderd in Cuba en dat Fidel en daarna Raul Castro, persoonlijk het binnen- en buitenlandse beleid zodanig hebben overheerst, dat zij de Cubaanse democratie verloochend en de burgermaatschappij onderdrukt hebben. Door hun economisch wanbeheer is er sinds 1959 omzeggens geen groei geweest. Het Castro-regime, volgens de oppositie, heeft simpelweg de afhankelijkheid van de VS ingeruild voor afhankelijkheid van de USSR, tot die laatste in 1990 ineengestort is.
Deze ideeën bepaalden ook het politieke en mediadebat over Cuba. Maar het probleem met deze analyse is dat ze een hinderpaal vormt om duidelijk te zien wat er gebeurt en ons niet in staat stelt te verklaren waarom de revolutie nog steeds stand houdt en wat de motor is van de Cubaanse maatschappelijke vitaliteit.

 Wat heeft Castro in 1959 geërfd ?

Discussies over het succes versus de mislukking van de economie vanaf 1959 hangen nauw samen met een analyse van de Cubaanse economie in de jaren ’50. De regering van na 1959 erfde een door suikerproductie gedomineerde economie, zwaar getekend door de socio-economische en racistische littekens van de slavernij.
Cuba-kenner Jaime Suchlicki stelt dat het Cuba van Batista “goed bezig was om”, zoals Walter Rostow het noemde, “zich in een take-off stadium(economische startpositie) te plaat
sen”3. Fred Judson4 wijst echter op structurele zwakheden in de Cubaanse economie: “langdurige crises kenmerkten de economie, de Cubaanse maatschappij was economisch slechts oppervlakkig en tijdelijk welvarend.” Kortom, terwijl de éne benadrukt dat de revolutie een gezonde kapitalistische groei heeft onderbroken, gelooft de andere dat het beëindigen van Cuba’s onderwerping aan het VS-kapitalisme een voorwaarde was om de tegenstellingen die de economische ontwikkeling in de weg stonden uit de weg te ruimen.

Bruto Binnenlands Product van Cuba, de Dominicaanse Republiek en Jamaica 1960-2015 (Bron : Wereld Bank)

Na de revolutie begon Castro meteen aan een programma van sociale welvaart en landhervormingen voor de Cubaanse bevolking en de inbeslagname van door de voormalige Cubaanse elite onrechtmatig verworven gelden en bezittingen. Maar bij hun vlucht uit Cuba stalen de verslagen Fulgencio Batista en zijn handlangers miljoenen pesos uit de Nationale Bank en de schatkist. Het land werd beroofd van zo goed als alle kapitaal, wat natuurlijk in hoge mate de mogelijkheid belemmerde om openbaar en privé te investeren. Rijke Cubanen verlieten het eiland en namen hun deposito’s – en hun belastingen – mee. Hoe zou de nieuwe regering een ambitieus plan van socio-economische hervormingen uitvoeren, zonder kapitaal of inkomsten ?

Bij elke omslag van de gebeurtenissen moeten we deze feitelijke omstandigheden in overweging nemen. Bij voorbeeld, op het moment dat het VS-embargo voor het eerst werd toegepast, werden 95% van de Cubaanse productiemiddelen en 100% van de reserve-onderdelen geïmporteerd uit de VS, en was de VS overduidelijk de grootste koper van Cubaanse exportgoederen. Toen het Sovjetblok uiteenviel, verloor Cuba 85% van zijn handels- en investeringsmogelijkheden5, wat ertoe leidde dat het BNP met 35% daalde. Het hoeft niet te verwonderen dat deze gebeurtenissen de bewegingsruimte van Cuba op beslissende wijze inperkten.

Een prijskaartje op armoede zetten

Verder moeten we onszelf de vraag stellen hoe de armoede in Cuba kan gemeten worden? Drukken we die uit in BBP(Bruto Binnenlands product) per hoofd? In inkomen (in geld) per dag ? Hanteren we de maatstaven van de kapitalistische economie, waarbij we ons richten op groei- en productiviteitsstatistieken om “succes” of “mislukking” te meten zonder aandacht te besteden aan sociale en politieke prioriteiten?

De staat voorziet in een (zeer) elementaire voedselkorf door middel van rantsoenkaarten(Foto: Evan Chu, CC BY-NC-ND 2.0)

Zelfs rekening gehouden met het lage BBP per capita, brengt de HDI (Human Development Index = Index van Menselijke Ontwikkeling) Cuba onder bij de “hoge categorie van menselijke ontwikkeling”. Cuba blinkt niet enkel uit in gezondheid en onderwijs/opleiding, maar ook in de participatie en politieke betrokkenheid van vrouwen. Cuba heeft ondervoeding bij kinderen geëlimineerd. In Cuba slapen nergens kinderen op straat. Meer in het algemeen zijn er geen daklozen in Cuba. Zelfs tijdens de hongerjaren in de economische crisis van de jaren ’90, verhongerden er geen Cubanen. Cuba hield zich aan zijn planeconomie, wat het mogelijk maakte de schaarse middelen te rantsoeneren.
En ja, de salarissen zijn extreem laag (dat hebben zowel Fidel als Raul aangeklaagd), maar het zijn niet zozeer de salarissen die de levensstandaard bepalen in Cuba. Ongeveer 85% van de Cubanen zijn eigenaar van hun eigen woning en indien ze huren mag die huur niet meer dan 4% van het inkomen van de huurder bedragen. De staat voorziet in een (zeer) beperkte korf van basisproducten. Maar rekeningen voor nutsvoorzieningen (energie e.d.), transport, en de kosten voor medicijnen worden erg laag gehouden. Kaartjes voor de opera, de bioscoop, het ballet enz. zijn goedkoop voor iedereen. Hooggekwalificeerde opleidingen en ziekenzorg zijn gratis. Dit alles maakt integraal deel uit van de materiële rijkdom van Cuba en is niet te veronachtzamen. Individuele consumptie van consumptiegoederen is niet de enige maatstaf om economisch succes te meten.

“Operatie Mirakel”

De specifieke en reële uitdagingen waar de ontwikkeling van Cuba mee te maken had/heeft, bracht unieke tegenstrijdigheden met zich mee. In een planeconomie, met een zeer strak budget, was het absoluut noodzakelijk om prioriteiten te stellen. Enerzijds is de infrastructuur er belabberd aan toe maar anderzijds heeft Cuba een Menselijke Ontwikkelingsindex, die vergelijkbaar zijn met die van het rijke westen. Omdat de kindersterfte beïnvloed wordt door een veelheid aan socio-economische en medische factoren, is dit cijfer veelzeggend voor de levensstandaard. De kindersterfte bedraagt in Cuba 4,5 op 1.000 geboortes. Dit plaatst Cuba op het niveau van de rijke ontwikkelde landen en boven het niveau van de VS, volgens cijfers van de CIA zelf !6
Bovendien zijn het niet enkel de Cubanen zelf die baat hadden bij deze investeringen. Tienduizenden Cubaanse dokters, leerkrachten en andere ontwikkelingswerkers hebben overal ter wereld de handen uit de mouwen gestoken. Momenteel zijn er zo’n 37.000 Cubaanse dokters en verpleegkundigen aan het werk in 77 landen. Zij genereren vreemde deviezen ten bedrage van ongeveer 8 miljard US dollar per jaar en zijn daarmee het belangrijkste Cubaanse “exportproduct”.
Daar komt nog bij dat Cuba ieder jaar gratis medische verzorging en gratis medische opleidingen verstrekt aan duizenden buitenlanders. Op initiatief van Fidel in persoon, werd in 1999 in Havana de “Latin American School of Medicine” opgericht, om studenten in de medicijnen uit arme landen een zes jaar durende opleiding te geven. Niet alleen de opleiding is gratis, er wordt ook gezorgd voor accommodatie. In 2004 werkte Cuba samen met Venezuela in het project “Operation Miracle”, dat in 36 landen gratis oogoperaties aanbood. In de eerste tien jaar van “Operatie Mirakel” werd bij meer dan 3 miljoen mensen het gezichtsvermogen hersteld.

Internationale studenten van de Latijns-Amerikaanse School voor Geneeskunde in Havana

Het Amerikaanse handelsembargo tegen Cuba verbiedt zelfs de handel in medicijnen en dit was voor Castro de aanleiding om prioritair te investeren in de medische wetenschappen. Cuba bezit nu zo’n 900 patenten en verkoopt zijn farmaceutische producten en vaccins in 40 landen. Samen zijn die goed voor een jaarlijks inkomen van 300 miljoen US dollar. Het groeipotentieel is enorm. De Cubaanse farmaceutische sector produceert meer dan 70% van de behoeften aan medicijnen voor 11 miljoen Cubanen. De hele farmaceutische industrie is staatseigendom, de onderzoeksprogramma’s zijn afgestemd op wat de Cubaanse bevolking nodig heeft en alle winsten worden geherinvesteerd in de verdere ontwikkeling van de sector. Het is duidelijk dat dit alles in een arm land als Cuba zeer onwaarschijnlijk was geweest zonder planning en investeringen door de staat.
In het midden van de jaren ’80 ontwikkelde Cuba als eerste ter wereld het Meningitis B- vaccin. Vandaag staat Cuba aan de top voor medicijnen die kanker bestrijden. In 2012 nam het een patent op het eerste therapeutische kankervaccin. Het VS-embargo dwingt Cuba zijn medicijnen, medische apparatuur en radiologische producten aan te kopen buiten de Verenigde Staten, wat bijkomende transportkosten met zich meebrengt.

Solidaire economie

In 2009 zei de Ecuadoraanse president Rafael Correa mij het volgende:
Cuba is een fantastisch voorbeeld. Ondanks de armoede heeft het, door middel van al zijn internationale programma’s, met andere landen en volkeren weten te delen. Cuba heeft het hoogste cijfer voor coöperatie en samenwerking in verhouding tot zijn bruto binnenlands product en is een voorbeeld voor ons allen. Dit betekent niet dat Cuba geen grote problemen heeft, maar het staat ook vast dat je onmogelijk het succes of het falen van het Cubaanse model kan afmeten, zonder het VS-embargo, dat al 50 jaar duurt, in aanmerking te nemen. Ecuador zou onder een dergelijke economische blokkade nog geen vijf maanden overleven.”

We bekijken het embargo even van dichterbij: de Cubaanse regering schat dat het embargo Cuba 753,69 miljard US dollar heeft gekost. Het jaarlijkse rapport voor de Verenigde Naties geeft een gedetailleerd beeld van deze berekening. Het geschatte bedrag is enorm als je weet dat tussen 1970 en 2014 het Cubaanse gemiddelde jaarlijkse BBP berekend is op 31.7 miljard US dollar.
Het is correct dat onder het Castro-regime fouten zijn begaan en vergissingen zijn gemaakt in de planning van de economie. En ja, er is bureaucratie en lage productiviteit. Er is een liquiditeitencrisis, er zijn schulden en vele andere problemen, maar waar zijn er geen problemen? Castro heeft zelf op deze problemen gewezen, in zijn speeches voor het Cubaanse volk. Maar President Correa heeft het bij het rechte eind – objectief de erfenis van het Castro-regime beoordelen kan niet zonder het VS-embargo, dat tot op de dag van vandaag – ondanks enige toenadering – nog steeds standhoudt, in rekening te brengen. En we kunnen niet ontkennen dat het VS-embargo de Cubaanse economie, in de negatieve zin, mee heeft gevormd.
Castro heeft sinds 1959 elf Amerikaanse presidenten zien passeren maar is jammer genoeg gestorven zonder het opheffen van het embargo mee te kunnen maken. Cuba staat voor een heleboel nieuwe uitdagingen. De economische hervormingen komen eraan. Het herstel van de betrekkingen met de VS ook. De eerstvolgende grote test, die ook voor mijzelf belangrijk wordt, is het aftoetsen van de veerkracht van de revolutie in het tijdperk na Castro en dat van Donald Trump.

 

 

  1. De neoklassieke economie is een benadering van economie, die aanbod en vraag louter in verband brengt met de rationele keuzes van een individu en met zijn vermogen om nut en profijt zo hoog mogelijk te maken.
  2. https://www.palgrave.com/us/book/9780230218208
  3. http://www.as.miami.edu/history/people/faculty/jaime-suchlicki/
  4. https://www.foreignaffairs.com/reviews/capsule-review/1984-12-01/cuba-and-revolutionary-myth-political-education-cuban-rebel-army
  5. http://www.nationsencyclopedia.com/economies/Americas/Cuba-OVERVIEW-OF-ECONOMY.html
  6. https://www.cia.gov/library/publications/the-world-factbook/rankorder/2091rank.html