Interview met Cubaanse dokter over de strijd tegen ebola in West-Afrika.

Róger calero

Enmanuel Vigil Fonseca, nu 34 jaar oud, was een van de 256 Cubaanse artsen en verpleegkundigen die tussen 2014 en 2015 naar Sierra Leone, Liberia en Guinee-Conakry gingen om de ebola-epidemie te bestrijden.

Ze waren allen lid van het ‘Henry Reeve Internationaal Contingent van Artsen Gespecialiseerd in Rampen en Ernstige Epidemieën’ dat door Fidel Castro in 2005 opgericht werd. In dat jaar bood de Cubaanse leider aan om 1.586 dokters en 36 ton medische en diagnostische hulpmiddelen naar de Verenigde Staten te sturen om de slachtoffers van de orkaan Katrina te helpen. Washington weigerde dat aanbod. Reeve was een in Brooklyn geboren vrijwilliger van de Cubaanse onafhankelijkheidsoorlog tegen Spanje, die in 1868 begon.

In het laatste decennium heeft het contingent noodhulp verleend in 19 landen, waaronder tweemaal in Haïti en Chili. De missie in Sierra Leone was de zevende voor Vigil. Hij was ook al vrijwilliger in Venezuela, de Westelijke Sahara, Ecuador, Nepal, Haïti en Peru.

“Toen we in Sierra Leone aankwamen, vonden we iets dat meer leek op een magazijn, waar overal lichamen lagen, dan op een hospitaal”, vertelt Vigil. Hij loofde het werk van de internationale teams die vanaf nul een behandelingscentrum opbouwden en de samenwerking met het medisch personeel van Sierra Leone en de andere landen.

“We zagen patiënten die 20 tot 30 keer per dag moesten braken. Ze moesten gehydrateerd worden, en we begonnen met ze zoveel intraveneuze infusen te geven als ze maar nodig hadden.”. Ander medisch personeel in Sierra Leone deed dat niet – ze hadden instructies om direct contact met de patiënten te vermijden.

“We beslisten de patiënten te hydrateren en de overlevingsratio begon te veranderen”, aldus Vigil. Toen de Cubaanse vrijwilligers in Sierra Leone aankwamen was de sterftegraad 80 percent. De behandeling door de Cubanen hielp die te verminderen tot 29 percent.

“Het eerst van al moesten we de barrières tussen dokter en patiënt afbreken. Sierra Leone is een land dat jaren in oorlog is geweest. En daar had je dan een witte man, met groene ogen, compleet ingepakt in beschermende kleding, die je met een naald komt prikken.”

“Je vraagt niet aan een patiënt die op de grond ligt van op te staan, zodat je hem kan onderzoeken. Je gaat bij hem op de grond zitten,” zegt Vigil. Zo beschrijft hij de medemenselijkheid en het respect waarmee de Cubaanse artsen en verplegers elke patiënt behandelden.

“Ze begonnen ons te herkennen doorheen het gezichtsmasker en het veiligheidspak en dan zag je een glimlach op hun gelaat, zag je hoop.”

Toen het bekend raakte dat de overlevingsgraad hoger was in het centrum met het Cubaanse personeel, kwamen veel ebola-slachtoffers vragen om daar toegelaten te worden.

Vigil: “We waren volzet en vertelden hen dat er geen bedden meer over waren. ‘Het maakt niet uit, we willen bij de Cubaanse dokters zijn,’ zeiden de patiënten. ‘Kom dan maar binnen,’ antwoordden we hen.”

“Voor ons waren degenen die daar op de grond lagen geen zakken aardappels maar mensen. ‘Waarom blijft u me behandelen, als u toch weet dat ik ga sterven?’ vroeg een man. Ik moest hem zeggen: ‘Ja, u gaat waarschijnlijk sterven, maar dan sterft u tenminste met waardigheid.’ ”

De manier waarop de Cubaanse vrijwilligers de patiënten behandelden was vaak een bron van conflict met de bestuurders van het centrum, merkt Vigil op. “Ze zeiden dat het niet ‘kosteneffectief’ was om medicatie en infusen te geven aan patiënten die maar een heel kleine overlevingskans hadden.”

“Het is een verloren zaak, zeiden ze dan. Maar we bleven alles doen wat we konden, zelfs al waren ze stervende,” vertelt Vigil. “Het zijn mensen! Zo leerden we dat in Cuba.”

“Elke morgen, bij het wisselen van de ploegen, overliepen we de ontslagen, het aantal overlijdens, het aantal patiënten,” zegt hij. “Als we het over de patiënten hadden, gebruikten we hun namen. We vonden het oneerbiedig te spreken over ‘patiënt 1’ of ‘bed 1’, zoals sommigen deden.”

“En dan zegden we samen een gebed – het personeel uit Cuba, de Verenigde Staten en Sierra Leone samen met overlevenden van de ziekte, die immuun waren en in het centrum bleven om te helpen – zowel gelovigen als ongelovigen,” zegt Vigil, die eraan toevoegt dat hij katholiek is.

Er is een uitstekend boek over de ervaringen en verwezenlijkingen van de Cubaanse medische brigade in West-Afrika: Zona Roja: la experiencia cubana del ébola, door Enrique Ubieta, die met hen meereisde.

“De mensen vragen me waarom ik over de Cubaanse dokters schrijf,” zei Ubieta op een meeting in Havana in 2016. “Ik schrijf niet over de dokters. Ik schrijf over de solidariteit en het internationalisme die het hart vormen van de revolutie. Ik schrijf over het zaad dat we zaaien, binnen en buiten onszelf. Elke keer dat Cubaanse dokters deelnemen aan een buitenlandse missie, hernieuwen ze zichzelf als revolutionairen.”

“Een van de grootste verwezenlijkingen van de Cubaanse revolutie is het systeem van familiedokters,” vertelt Vigil over de wijkgezondheidscentra die gratis basisgezondheidzorg verlenen.

Vigil werkt normaal in de Nguyen Van Troi-polykliniek in Havana, één van de bijna 500 over heel het eiland. Samen met de familiedokters en ver­pleegkundigen in de wijkgezondheidscentra vormen de polyklinieken de ruggengraat van de Cubaanse gezondheidszorg. Iedereen in de buurt kent zijn of haar dokter, zei Vigil, “de oudere buur die je een kopje koffie brengt, de moeder van een kind voor wie je gezorgd hebt, werkelijk iedereen.”

“Haïti was de zwaarste” van zijn andere internationale missies, volgens Vigil. Hij beschrijft hoe hij getuige was van de verwoestingen die het imperialisme aanrichtte, toen hij deelnam aan de hulpverlening na orkaan Matthew in 2016.

“Ze hebben geprobeerd ons systeem in andere landen te kopiëren, maar het kapitalisme laat zoiets niet toe”, zegt hij.

Zoals de Cubaanse revolutionair Che Guevara zei: de enige manier om een revolutionaire dokter te zijn, is een revolutie te maken.