HET CUBAANSE EPOS , door Claudio Katz( deel 3)

Staatseigendom en coöperatieven

Over de hervormingen wordt intensief gedebatteerd in Cuba. Dit is in tegenspraak met het beeld dat het buitenland hierover heeft, met name dat er unanimiteit of zelfs stilte zou zijn. Alle mythes over de afwezigheid van debat en discussie zijn gebaseerd op onwetendheid. Binnen dit debat hebben zich drie verschillende stromingen ontwikkeld. Eén ervan benadrukt het behoud van de staat als uiteindelijk beslissingsorgaan. Een andere stroming wil nog meer markgerichte hervormingen. Een derde, die de zelfbeherende aanpak aanhangt, wil dat de coöperatieven worden uitgebreid.

In de huidige stand van de hervormingen komt ook de moeilijke kwesties over de ruimte die de loonarbeid moet krijgen Er wordt geopperd dat daar ter compensatie belastingen op zouden moeten geheven worden en welke limieten er aan dergelijke contracten moeten gesteld worden. (Piñeiro- Harnecker, 2010).

Nog anderen wijzen maatregelen met de vinger die sociale ongelijkheid vergroten (het aanleggen van golfterreinen of het bouwen van exclusieve residenties) maar ook de initiatieven die ertoe zouden leiden dat buitenlanders eigendom kunnen verwerven. (Campos, 2011).

De aanhangers van de coöperatieven stellen zich vele vragen. Zij zijn er voorstander van om de oprichting van een netwerk van plaatselijke winkels aan te moedigen, en de reeds bestaande zelfbeherende ondernemingen te versterken. Zij zijn van mening dat men ook zonder het individualisme aan te moedigen de economie kan doen heropleven (Isa Conde, 2011).

Dit model staat voor zelfbeheerde ondernemingen, die het voordeel hebben goede kennis te kunnen putten van hun grondgebied en hun sector. Deze stroming stelt ook vormen van sociale controle op de coöperatieve ondernemingen voor, sociale controle door burgers en lokale autoriteiten (Dacal Diaz, 2013)

Deze benadering is tevens een kritiek op de verstikkende bureaucratie, waarmee de coöperatieve ondernemingen werden geconfronteerd. Men legt hier de vinger op de ondervonden belemmeringen en het feit dat zij in het verleden weinig beslissingsmacht hadden in de louter verticale besluitvorming(Miranda, 2011). Hun voorstellen zijn erop gericht grenzen te stellen aan de drang om winst te maken die onvermijdelijk de kop zal opsteken bij het herinvoeren van marktmechanismen. Hun voorstellen staan voor socialistische waarden en willen de opening naar het privé-initiatief beperken (Alonso, 2013).

Maar coöperatieven alleen kunnen de stagnatie die de Cubaanse economie bedreigt, niet oplossen. Ze zijn wel onmisbaar als aanvulling bij de hervormingen die de geaccumuleerde (of geconsumeerde) valuta omzetten in investeringen. In de huidige situatie is het creëren van deze sector, bestaande uit kleine private ondernemingen, onvermijdelijk. China kan bijdragen door kredieten te verlenen, Venezuela kon dat door olie te leveren, maar Cuba moet zijn eigen sparen kunnen recycleren naar productieve activiteiten.

Sommige vragen over de hervormingen, gesteld vanuit een zuivere staatsoptiek, hebben een heel ander karakter. Zij stellen dat de aan de gang zijnde hervormingen de weg naar het kapitalisme openen en daarmee herhalen wat Gorbachov met de Perestroïka deed. Diezelfde stroming houdt vol dat de officiële documenten vol staan met “bourgeois-voorstellen”, valt hun “anti-socialistische” inhoud aan en zegt dat de voorstellen aanleunen bij het neoliberalisme (Fernández Blanco, 2011; Cobas Avivar, 2010).

Deze strekking herhaalt de oude argumenten van de orthodoxen zonder daarbij uit te leggen waarom het model van 100% staatsbezit zo’n ernstige negatieve gevolgen heeft gehad op de Cubaanse economie. Zij gaan er van uit dat de ineenstorting van de USSR het gevolg was van reactionaire samenzweringen en gaan voorbij aan de verstikkende rol die de bureaucratie heeft gespeeld en aan de privilegies die de bureaucratie zich toe-eigende, terwijl de ontevredenheid van de bevolking gemuilkorfd werd. Deze stroming gaat ervan uit dat Cuba kan blijven stilstaan in de huidige toestand en de stagnatie kan blijven recycleren. Hun woordvoerders waarschuwen voor reële gevaren zoals daar zijn werkloosheid en sociale polarisatie. Maar zij leggen niet uit hoe de algehele verarming kan vermeden worden door het versterken van de verstaatsing zonder inkomsten. De mogelijkheid bestaat zeker dat er een heersende klasse probeert de kop op te steken, b.v. door het misbruik van staatsgelden. Maar de enige manier om dit te verhinderen is controle door het volk.

De herinvoering van het kapitalisme zal er niet komen omdat kleine commerciële zaken goed boeren. Dat spook werd in het verleden als stok achter de deur gebruikt om bureaucratisch gedrag te verantwoorden en om elk individueel economisch initiatief in de kiem te smoren. Het is tevens niet zeker dat de uitbreiding van de handel onmiddellijk tot grote privé rijkdom zal leiden. Wel bestaat het risico dat de Cubaanse economie dreigt in elkaar te storten, gewoon door een geleidelijke wegkwijnen. Cuba staat voor de keuze tussen overlevingsalternatieven en staat voor de noodzaak te moeten kiezen voor het minste kwaad.

Het is puur fatalisme aan te nemen dat gelijk welke “nieuwe economische politiek” zal uitmonden in kapitalisme, zoals dat gebeurde tijdens de Perestroïka. In de periode na de dood van Lenin was het resultaat compleet anders. Het opgelegde etatisme werd verzekerd door een gedwongen collectivisering. Voor Cuba is de uitdaging nu juist om deze twee valstrikken te vermijden.

Degenen die kritisch staan tegenover de hervormingen zeggen dat deze worden ingevoerd door een bureaucratische kaste met het doel haar privileges te vereeuwigen ten koste van de revolutie. Maar deze critici leggen niet uit waarom deze bureaucratische kaste dat dan niet heeft gedaan na de val van de Sovjet-Unie, toen er meer argumenten dan nu waren om het kapitalisme te omhelzen.

In de feiten komt deze benadering neer op een vorm van gedwongen planeconomie die in het beste geval zou leiden tot het een situatie vergelijkbaar met die in Noord-Korea. Cuba is er in geslaagd de militaire isolering die Noord-Korea in een wurggreep houdt, te vermijden. Een extreem doorgedreven verstaatsing brengt het land meer problemen dan oplossingen voor het dilemma waar het nu voor staat.

Dogmatische benadering

De zienswijze die samenvalt met die van de voorstanders van verregaande staatsinmenging vergt een dogmatische aanpak die het huidige verloop van zaken in Cuba ziet als een erkenning van de terugkeer naar het kapitalisme (Petit, 2011).

Deze diagnose zegt niets over de criteria die naar deze terugkeer leiden. Evenmin wordt feitenmateriaal aangereikt. Er wordt simpelweg beweerd dat die terugkeer naar het kapitalisme een feit is dat geen verdere toelichting nodig heeft. Wel wordt gesuggereerd dat het imperialisme het proces ondersteunt, alsof Cuba nu al niet het slachtoffer zou zijn van imperialistische pesterijen. Critici met deze zienswijze maken ook de vergelijking met China, zeggende dat het post-Deng-kapitalisme nu in de Caraïben wordt overgenomen. Dit soort uitspraken houdt geen rekening met het wezen van de revolutie en bespoedigt er integendeel de ondergang van.

Nog een andere tendens gebaseerd op gelijkaardige stellingnames doet een poging om met meer consistente argumenten, maar zonder veel visie, te polemiseren. Deze tendens gaat akkoord met het afbakenen van welbepaalde periodes en modellen maar ontwijkt verder simpelweg de vraag of er een restauratieproces aan de gang is. Ze accepteert onze vergelijking met de NEP in de voormalige Sovjet Unie en geeft toe dat wij een realistische analyse maken van de doelstellingen van de hervormingen richting markteconomie. Haar kritiek is echter dat onze visie puur economisch van aard is. De vergelijkingen zijn volgens deze strekking niet in staat om het verlies van het politieke “noorden” te verklaren. De NEP van Lenin kon samenvallen met gelijkaardige initiatieven in China of Cuba maar was geïnspireerd door revolutionair beleid, wat niet het geval is in beide laatstgenoemde landen (Yunes, 2011).

Deze zienswijze, hoewel zij het bestaan van gelijkaardige economische beweegredenen erkent, zet Lenin op een voetstukje en gooit Castro eraf. Ze verdedigt in de Bolsjeviek Lenin wat zij verguist in de guerrillaleider en maakt dit onderscheid door middel van een a priori inschatting.

De éne wordt verafgood, de ander gediskwalificeerd, terwijl zij toch beiden een gelijkaardige rol gespeeld hebben in buitengewone socialistische omwentelingen in de 20ste eeuw. Het is ons niet duidelijk waarom deze differentiatie de gelijklopende economische programma’s in vergelijkbare omstandigheden zou verhinderen.

Indien het Russische Nieuwe Economische Programma (NEP) verdienstelijk was, enkel en alleen omdat het door Lenin boven de doopvont is gehouden, dan zou het tekortschieten als model voor een socialistisch overgangsprogramma. Als het integendeel richtlijnen biedt voor het combineren van een planeconomie met elementen uit de markteconomie, dan kan de NEP-aanpak in bepaalde situaties van nut zijn. In dat geval kan men de gehele of gedeeltelijke toepassing ervan in de USSR, China en Oost Europa begrijpen. Zich openstellen voor dergelijke waardebepalingen is het tegendeel van economistische simplificatie.

Onze criticus wijst de bureaucratie met de vinger als zijnde de voornaamste vijand van de revolutie in Cuba. Maar dit is een veralgemenende beschuldiging die natuurlijk niet aangeeft wie die samenzweerders dan wel precies zouden zijn. Hij beweert dat het Castro-leiderschap deze rol vervult, op een manier die vergelijkbaar is met die van Gorbachev, alsof het spoken waren die gedurende de “speciale periode” het verzet organiseerden.

Dezelfde critici beschuldigen staatsambtenaren ervan vreemde deviezen te accumuleren om die te kunnen gebruiken in de “kapitalistische herstructurering”. Niemand ontkent dat dit zou kunnen gebeuren. Maar uit deze waarschuwing kan men niet concluderen dat er een wet van historische herhaling bestaat waardoor Cuba hetzelfde lot beschoren zou zijn als destijds de USSR.

Om te kunnen bepalen wie nu eigenlijk de aanstoker is van deze veronderstelde regressie, moet men toch met enig bewijs komen aangaande de beweerde verrijking. Zoniet gaat het over pure vooringenomenheid. De laatste twintig jaar hebben de Cubaanse leiders een opmerkelijk sobere levensstijl tentoon gesteld. De belangrijkste ongelijkheden in Cuba kunnen we zonder meer toeschrijven aan degenen die vreemde deviezen in hun bezit hebben, en niet aan de staatsambtenaren.

Maar als het hele probleem kon gereduceerd worden tot het aanduiden van wie zich verrijkt, dan zou het dilemma van de Cubaanse economie meteen opgelost zijn door het openbaar maken en verspreiden van een lijst met namen. Het diepere probleem ligt erin een agenda te bepalen. Moet er een verbod zijn op het invoeren van vreemde deviezen ? Moet het toerisme een halt worden toegeroepen ? Moeten buitenlandse investeringen beperkt worden ? Moet de heropleving van kleine private eigendommen worden gestopt ?

Als je onze critici met deze zeer concrete vragen confronteert, doen zij er het zwijgen toe. Zij menen dat ieder van deze vragen tot “economisme” leidt en zij verkiezen in het ijle te blijven praten. Daarbij vergeten ze dat Cuba op een dramatische manier gedwongen wordt te kiezen tussen alternatieven om te overleven.

Wat onze critici betreft kunnen wij slechts concluderen dat zij voorstander zijn van één of andere vorm van totale afschaffing van de markteconomie (zie bij voorbeeld vroeger in Albanië). Hun alternatief is een onmiddellijke wereldwijde revolutie, die doorheen de opbouw van het universele socialisme alle dilemma’s van isolering zou opheffen. Maar in de werkelijkheid hebben we in het verleden gezien dat deze dogmatische stromingen in hun pogingen om deze revolutie te laten zegevieren, op onoverkomelijke moeilijkheden zijn gestuit. Deze mislukkingen zijn dan ook een illustratie van hoe complex het probleem is.

Realisme en skepticisme

De critici leggen al hun hoop in het model van de Sovjet democratie (sovjet = raad) zeggende dat die de economische blokkeringen in Cuba zouden uit de weg ruimen. Daarbij verwijzen zij naar Trotsky die met name zei dat de radendemocratie een centrale rol speelde in het oplossen van de problemen van de Russische economie in de jaren 30.

Zonder twijfel is dit een belangrijk aspect, maar er al te veel de nadruk op leggen gaat geen wonderen verrichten. Cuba is geconfronteerd met een handelsembargo, militaire provocatie, een tekort aan voorraden, een gebrek aan inkomsten en een verlies van strategische bondgenoten. Deze problemen zullen niet verdwijnen (of zelfs verminderen) door een uitdieping van de interne democratie.

Trotsky was een realistisch politicus en heeft nooit wonderbaarlijke resultaten toegeschreven aan democratie. Hij was een fervent tegenstander van de Stalinistische contrarevolutie maar verdedigde voor Rusland zeer specifieke economische voorstellen. Hij was tegen het gedwongen opleggen van een staatseconomie en verdedigde de stelling dat de planeconomie moest gecombineerd worden met de markteconomie volgens de regels van het NEP. Deze stelling kan als model dienen voor de hervormingen die Cuba nu gaat doorvoeren. (Trotsky, 1973, 1991: 55-72).

Als het over democratie gaat, moeten we zeer voorzichtig zijn met vergelijkingen. Trotsky was destijds geconfronteerd met goelags en executie van bolsjevieken; dingen die in Cuba nooit bestaan hebben. Integendeel, Cuba is in de 20ste eeuw het epicentrum geweest van een revolutionair proces met het hoogste niveau van democratisering en deelname van de bevolking.

Bovendien was het “speciale regime” in Cuba heel mild, in vergelijking met zulke processen in de rest van de wereld, daarbij inbegrepen de Sovjet Unie in de tijd van Lenin en Trotsky.

Dogmatici plaatsen de Cubaanse pro markt hervormingen in het orthodoxe neoliberale paradigma. Zij zijn van mening dat een aanpassing van het plan wordt ingevoerd dat ingaat tegen het verzet dat zich ontplooide gedurende de speciale periode (Yunes, 2010).

Het meest verwonderlijke aspect van deze stellingname is niet eens het blind zijn voor het duidelijke verschil tussen het Cubaanse economische model enerzijds en het economische beleid van Thatcher, Merkel of Cavallo anderzijds. Wat écht onbegrijpelijk is in deze stellingname is het feit dat er van uitgegaan wordt dat de huidige politiek in scherp contrast staat met de politiek, uitgevoerd door dezelfde regering, in het vorige decennium. De leiders die een heldhaftige strijd gevoerd hebben tegen het imperialisme worden nu afgeschilderd als keukenhulpjes in de keuken van de VS. Hoe zou zo’n ommekeer kunnen verklaard worden ?

De meest gebruikte verklaring verwijst naar Castro’s bonapartistische gedrag, dat in schril contract zou staan met de “druk van de massa”. Het is echter heel moeilijk om hiervoor enig concreet bewijs te vinden, ook al omdat er zoveel aanwijzingen gevonden zijn van het tegendeel, met name tijdens het officieel leiderschap van het verzet in de jaren 90. Het is evenmin makkelijk om bewijzen te vinden voor de afwijzing door het Cubaanse volk tegen de daarna ingevoerde hervormingen. De critici dobberen rond in een oceaan vol contradicties. Zij geven negatieve commentaar op de lage productiviteit van de economie, maar stellen beperkingen voor die dit probleem nog zouden vergroten. Zij verwerpen de isolering van het eiland, maar zijn ook gekant tegen de “alliantie om te overleven” (alliance for survival) die Cuba in het verleden overeenkwam met de USSR. Zij voorspellen het mislukken van de hervormingen die nog maar in hun kinderschoenen staan, zonder uit te leggen waarom de voorspelde ineenstorting van de Cubaanse economie de laatste twee decennia niet is doorgegaan. Met de maatstaven die deze critici gebruiken is het onmogelijk om de uitzonderlijke en epische aard van de Cubaanse, die nu al meer dan 50 jaar stand houdt, te meten.

In nog andere segmenten van de progressieve opinie wordt voorzichtiger omgesprongen met voorspellingen, maar er is amper aandacht voor het sociale karakter van het Cubaanse regime en er heerst groot scepticisme over de toekomst. Deze critici klagen de zwaarte van de repressie aan alsook het wegkwijnen van de libertaire utopie, en ook nog de consolidatie van een autoritair politiek regime. (Stefanoni, 2013). Wat zij echter over het hoofd zien is dat Cuba onder omstandigheden van verschrikkelijke pesterijen erin geslaagd is een revolutie met ongekende vrijheden in stand te houden. De graad van deze vrijheden en tolerantie gaat verder dan, niet alleen die van Rusland of China, maar ook die van het grootste deel van radicale nationalistische experimenten. Wat hieraan ten grondslag ligt zijn de legitimatie van eender welke revolutie en de manier waarop die haar verworvenheden tracht te vrijwaren.

Het is onredelijk ervan uit te gaan dat Cuba alles wat het bereikt heeft had kunnen bereiken zonder ontberingen, opofferingen en zonder vergissingen te maken. De echte ernstige evaluatie van de revolutie is bijzonder belangrijk nu er zoveel druk op Cuba wordt uitgeoefend om het over te halen een “normaal” land te worden. Als men daarbij de misleidende maatstaven gebruikt, zoals hierboven beschreven, dan kan men net zo goed alles wat in een halve eeuw werd opgebouwd, begraven en de deur openzetten voor ongelijkheid en misdaad, zaken die in de rest van Latijns Amerika alom aanwezig zijn.

Opportuniteiten en verwachtingen

Sommige analysten hebben opgemerkt dat er in de voorbije jaren een sfeer van enthousiasme hing met het vooruitzicht op de hervormingen en veranderingen. Zij schrijven dat er “lente in de lucht hangt” in Cuba en dat deze lente zal afrekenen met de stagnatie. (Burbach, 2013). Anderen, die het proces van dichterbij meemaken, zijn het eens met de positieve impact van de aan de gang zijn veranderingen maar wijzen er tevens op dat het heel belangrijk is om maatregelen te treffen die de democratisering – zoals de hervorming van het kiesstelsel en onbeperkte toegang tot het internet – bevorderen (Campos, 2011).

Van dezelfde aard zijn de voorstellen ivm nieuwe manieren van denken over de verspreiding van informatie en over de controle door het volk op de staatsstructuren. Hierbij wordt ook opgetekend: de vertragingen in de implementering van de hervormingen en het ongevoelig zijn voor kritiek (Dacal, 2013).

Dergelijke fouten hadden in het verleden negatieve gevolgen. Het enthousiasme voor de hervormingen zal niet eeuwig blijven duren. Het is de moeite waard om na te denken over alle mislukte pogingen tot vernieuwing van het socialisme in de vroegere Oostbloklanden. De frustratie na het mislukken van de Praagse lente demoraliseerde meerdere generaties en leidde ertoe dat later het kapitalisme gemakkelijker kon heringevoerd worden.

In een maatschappij die de test van de speciale periode heeft doorstaan, is apathie de grootste vijand, maar de wonden die hierdoor zijn geslagen, moeten genezen. In de huidige conjunctuur is het nodig het gevecht aan te gaan met de wanhoop die aangevuurd wordt door de roep naar verandering en de bezorgdheid van de mensen over de gevolgen ervan. De hervorming richting markteconomie brengt bepaalde maatregelen met zich die alle Cubanen begrijpen maar die door weinigen gewenst worden. (Guanche, 2011).

Het belangrijkste antigifmiddel tegen de gevaren van de hervormingen is het rechtstreeks betrekken van de burgers in de besluitvorming over hun toekomst. Dit is mogelijk door de socialistische democratie te ondersteunen. De vitaliteit van dit systeem is een effectieve remedie tegen apathie. Wat ooit gebeurde in de Sovjet Unie zou moeten gebruikt worden als negatief voorbeeld. In de Sovjet Unie zagen de burgers zichzelf als buitenstaanders als het ging over de politieke besluitvorming en het staatsapparaat. Bijgevolg bevonden zij zich in de marge toen de veranderingen werden doorgevoerd, die leidden tot de herinvoering van het kapitalisme.

Cuba beschikt daarentegen over een graad van echte democratie die superieur is in vergelijking met gelijk welke plutocratische kapitalistische democratie. De Cubaanse leiders zijn niet verkozen door een elite van bankiers en industriëlen, noch werden zij naar voren geschoven door cosmetische campagnes in de media. Zij regeren niet met terreur tegen de bevolking, noch met intimidatie. Iets dat niet kan gezegd worden over sommige politieregimes in Centraal Amerika. Toch zijn er ontelbare aantoonbare democratische tekorten in het Cubaanse politieke systeem en zijn propagandamachine. De hervormingen zijn een opportuniteit om deze tekorten te verhelpen.

Indien de economische hervormingen er op een gepaste manier in slagen de coöperatieven, de kleine privé eigendommen en de staatsprioriteiten met elkaar te combineren, zal dat het optimisme een boost geven. De hervormingen met betrekking tot de productiviteit en de commerciële sector zouden dan kunnen resulteren in zichtbare verbeteringen van de levensstandaard van de bevolking. De grote uitdaging bestaat erin om deze op de marktgerichte hervormingen zo spoedig mogelijk door te voeren en tegelijkertijd het herstel van het kapitalisme te beletten. Om dit laatste af te wenden is er één enkele sleutel: het indijken van sociale ongelijkheid door vast te houden aan het openbaar en universeel onderwijssysteem en het gezondheidsstelsel. Als aan deze voorwaarde wordt voldaan, zal, gesteund door het voorbeeldige karakter van het Cubaanse leiderschap, het land zijn weg vinden doorheen het woud van nieuwe uitdagingen die het te wachten staan.

De Cubaanse bevolking heeft reeds aangetoond over een buitengewone capaciteit te beschikken om met problemen om te gaan en telkens haar vertrouwen in de revolutie terug te vinden. Cuba is een land waar zeer omzichtig moet worden omgesprongen met het maken van voorspellingen. Hoe vaak is er niet gezegd dat Cuba de blokkade niet zou overleven, of de invasie, of de tekorten, of de isolering ? Telkens heeft Cuba deze gigantische hindernissen met stijl overwonnen. Ik ben ervan overtuigd dat het ook de huidige hervormingen zal aankunnen.

* Claudio Katz is economist, onderzoeker bij CONICET (National Scientific and Technical Research Council], professor aan de UNiversiteit van Buenos Aires en lid van de EDI (Linkse economisten)