HET CUBAANSE EPOS(deel 2), door Claudio Katz

DE CUBAANSE REVOLUTIE EN DE HERVORMINGEN : EEN ANALYSE

Van de Argentijnse economist Claudio Katz publiceren we in vertaling een tweede uittreksel uit een in Cuba, Latijns-Amerika en daarbuiten wijdverspreide kritische analyse. Claudio Katz is economist, professor aan de universiteit van Buenos Aires en lid van de EDI [Linkse Groep van Economisten].

Vertaling: Agnes Hollanders.

Drie problemen

De aanpassingen die Cuba moet doorvoeren zijn noodzakelijk ten gevolge van drie lange termijn-veranderingen.

Om te beginnen heeft de ineenstorting van de USSR de geopolitieke realiteit zodanig gewijzigd dat de ganse productiestructuur werd aangetast. Cuba had een economie opgebouwd met het oog op belangrijke antikapitalistische overwinningen op wereldschaal en zo niet, dan toch zeker in de Latijns Amerikaanse regio. Cuba was er altijd van uit gegaan dat het socialisme opbouwen, alléén op het eiland Cuba, onmogelijk zou zijn. Om die reden zocht Cuba samenwerking en complementariteit met zijn partners in Oost-Europa. Die connecties combineerde het met de hoop op een opeenvolging van revolutionaire overwinningen in Latijns Amerika.

Deze politieke strategie verklaart de hoge graad van specialisaties die het eiland ontwikkelde, met name op het vlak van dokters, ingenieurs, leerkrachten en soldaten. De opbouw van een maatschappelijk waardenstelsel waarin de ten strijde trekkende helden, de brigadisten en de internationale missies met eer werden overladen, is hiermee nauw verbonden.

In vele domeinen werd succes geboekt. Cuba exporteerde zijn methodes van strijd tegen het analfabetisme, van preventieve geneeskunde en van militaire paraatheid naar vele landen in Latijns Amerika en Afrika. Deze erfenis werd in het bijzonder gedeeld met Angola en Nicaragua in de jaren 70 en 80, met Haïti (ingevolge de aardbeving) en meer recent met Venezuela (Cubaanse leerkrachten in ruil voor Venezolaanse olie) of Bolivië (gespecialiseerde uiterst bekwame dokters en chirurgen).

Er is nog meer evidentie van de efficiëntie van Cuba met betrekking tot hulpverlening en solidariteitsacties. Nog recent is er het voorbeeld van de bestrijding van de Ebola epidemie in Afrika. Cuba stuurde zonder aarzelen geneeskundige teams. Niemand minder dan de New York Times schreef hierover een uiterst lovend edito, waarbij niet nagelaten werd de actie van Cuba positief te vergelijken met die van andere landen, waar geaarzeld werd – wegens het hoge besmettingsrisico – om teams te sturen. Nog schokkender is de weigering van de verzekeringsmaatschappijen om de financiering van deze operaties te dekken. (New York Times, 2014).

De alom gewaardeerde Cubaanse dokters zijn een product van het militante onderwijs dat door de revolutie werd geïntroduceerd om de wereldwijde verspreiding van het socialisme te ondersteunen. Toen dat doel tot mislukken gedoemd bleek, werd Cuba geconfronteerd met de paradox dat het regime enerzijds kon bogen op een goed opgeleide bevolking met “Eerste Wereld”-ambities en dat anderzijds de fragiele economie van het land zich eerder in de “derde wereld” bevond. Een massa aan hooggekwalificeerde werkers en vaklui met –bovendien – een hoge graad van klassenbewustzijn, zijn tewerkgesteld in een land waar de productiviteit laag is, zowel in de industriële als in de landbouwsector. Deze discrepantie tussen enerzijds het hoge culturele en intellectuele ontwikkelingspeil van de Cubanen en anderzijds de smalle economische basis, wordt duidelijk in ontelbare concrete verhalen. Receptionisten in het toerisme hebben, bij voorbeeld, een hogere en betere beroepsopleiding gehad dan de gemiddelde toerist. Dit onevenwicht leidt uiteraard tot ernstige problemen voor iedereen die geen werk vindt tegen een salaris dat zijn of haar specialiteit billijk zou vergoeden. Een taxichauffeur of een kelner die een veelvoud verdienen van wat een ingenieur of een dokter kunnen verdienen, is het meest sprekende voorbeeld van deze vreemde situatie (Padura, 2010-2012).

Gedurende de laatste 20 jaar heeft de economie in Cuba radicale veranderingen ondergaan die een tweede type structurele problemen blootlegden. Het land overleefde economisch door het toerisme te omarmen, door overeenkomsten met buitenlandse bedrijven te ondertekenen, en door het dubbele koers-systeem in te voeren dat ertoe leidde dat de bevolking werd opgedeeld in zij die toegang hebben tot geld uit het buitenland via familie e.d., en zij die die toegang niet hebben.

Het opduiken – ingevolge het toerisme – van de niet te onderschatten stroom buitenlands geld had een belangrijke economische en sociale transformatie tot gevolg. Het grootste deel van deze dollars zijn zelfs nog niet geïnvesteerd. Zij worden vooral gebruikt voor de aanschaf van consumptiegoederen zodat er een kloof in koopkracht ontstaat tussen diegenen die dollars hebben en de anderen.

Een aantal analisten beschrijft hoe deze dubbele markt een aanzienlijke sociale stratificatie heeft gecreëerd. Degenen die in de marge van dit circuit leven moeten hun budget aanpassen en moeten op dieet. De Cubanen die beschikken over vreemde valuta (dollars) kunnen meer en betere kleren kopen, ze kunnen zich computers aanschaffen of smartphones (Vandepitte 2011). Deze kloof ontstond in 1993 toen een duale markt werd ingevoerd die bedoeld was om het tekort aan vreemde deviezen te verhelpen. Belastingheffingen moesten de ongelijkheid in de Cubaanse samenleving die daardoor ontstond, verzachten. Om het ideaal van een egalitaire staat aan te passen aan deze vanuit het buitenland ingevoerde problematiek, ging de Cubaanse staat het bezit van deviezen belasten.

Een derde probleem dat aan de Cubaanse economie vastkleeft komt voort uit de misvatting dat de staat alles in eigendom moet hebben, een imitatie van het Russische model. Deze onkritische fascinatie voor de USSR leidde in de jaren 70 tot een inefficiënte uitbreiding van de staatssector die onder meer een zeer negatieve uitwerking had op de productiviteit in de landbouwindustrie. De golf van nationalisaties veegde alle kleine handelszaken en privé-werkplaatsen weg. In 1977 werden de laatste resten van privé-tewerkstelling geëlimineerd.

Deze maatregelen miskenden dat een overgang naar het socialisme enkel mogelijk is via een geleidelijk overwicht van het plan boven de markt, naarmate de staatssector een grotere efficiëntie bereikt dan de private sector. Cuba nam de Russische methode over d.w.z. veralgemeende staatseigendom, zonder rekening te houden met de mogelijkheden van meer gematigde varianten van deze strategie die bij voorbeeld door Joegoslavië en Hongarije werden toegepast.

Alle pogingen om de nadelen van het veralgemeende staatseigendom op te heffen, faalden. Het inzetten van vrijwilligers, de oogst van 10 miljoen ton suiker (1) en ook het rectificatie-proces op het einde van de jaren 80 waren slechts doekjes voor het bloeden. Cuba bleef ook doof voor de vragen die destijds gesteld werden door organisaties als het CEA (Centrum voor Amerikaanse Studies). (2). De belangrijkste negatieve gevolgen van deze situatie waren een dalende productiviteit en het voortduren van Cuba’s afhankelijkheid van geïmporteerd voedsel.

Dit soort fouten waren waarschijnlijk het gevolg van theoretische problemen (het onbegrip over de overgang naar het socialisme) en van bureaucratische toepassing. Maar het is evengoed duidelijk dat het allesbehalve gemakkelijk was om de prioriteiten van de revolutionaire strategie te verzoenen met toegevingen aan het marktsysteem. Het vrijwaren van de revolutionaire prioriteiten vergde veel idealisme, heroïek en gelijkheid, kenmerken die clashen met een commercieel model. Revolutionairen van alle tijden hebben het altijd moeilijk gehad om een evenwicht te vinden tussen romantiek en realisme. Lenin en Trotsky waren in de jaren 20 met zeer gelijkaardige problemen geconfronteerd.

De huidige hervorming

Om dit complex scenario aan te pakken, heeft de regering beslist om investeringen aan te moedigen, door het marktaandeel binnen de Cubaanse economie uit te breiden. Na veel gediscussieer en aarzeling begon de regering de resoluties die eerder in 2008 al het onderwerp van discussie waren en die in 2011 in richtlijnen waren omgezet, toe te passen. Bestaande beperkingen voor kleine private ondernemingen werden versoepeld en het opzetten van handelszaken en het tewerkstellen van personeel werden toegestaan. Ook zal het beruchte rantsoenboekje moeten sneuvelen, zullen de prijzen geleidelijk aan geliberaliseerd worden en zullen er pogingen gedaan worden om het dubbele munt-circuit af te schaffen.

Verder zullen er maatregelen genomen worden om de autonomie van het management binnen een staatsbedrijf te vergroten. Elk bedrijf zal, op gedecentraliseerde wijze, zijn eigen budget kunnen beheren met als doel naar eigen inzicht inkomsten te verwerven en producten te verkopen (PCC, 2011).

Het onmiddellijke objectief is vreemde deviezen naar Cuba te halen. Cuba kan, in tegenstelling tot de voormalige USSR of China, niet overleven als een op zichzelf staande economie. Het heeft dollars nodig om brandstof aan te kopen en voedsel te importeren. Bijgevolg heeft het beslist de vier bronnen van inkomsten in vreemde valuta te hervormen: het toerisme, de nikkelindustrie, het uitsturen van hoogopgeleide Cubanen naar het buitenland en de fondsen die vanuit het buitenland terugvloeien naar families in Cuba.

Om de landbouw nieuw leven in te blazen zal er landbouwgrond gegeven worden aan kleine private producenten en coöperatieven, in de hoop dat daardoor de productie groeit, in navolging van wat China in de jaren 80 heeft gedaan. Cuba heeft echter niet alleen een tekort aan vruchtbare grond, het kampt ook met een hoog niveau aan verstedelijking, een hinderpaal om mensen te stimuleren om in de landbouw te gaan werken.

De meest controversiële hervorming voor al degenen die betrokken partij zijn in deze reorganisatie van staatsondernemingen, is de introductie van de status van “beschikbare” werkkrachten. Het gebrek aan inkomsten betekent dat de harde realiteit van ondernemingen die met een deficit draaien, openbaar moet gemaakt worden, gezien deze bedrijven niet door de staat kunnen gered worden. Dat is de reden waarom het principe van een officiële gewaarborgde tewerkstelling wordt verlaten. Het is de bedoeling een nieuw segment van private ondernemingen en coöperatieve werknemers te creëren die de afbouw van het werknemersaantal in de staatsbedrijven kunnen absorberen. (Maiki, 2011)?

De regering heeft herhaaldelijk beslissingen uitgesteld die botsten met de aspiraties van de revolutie en de waarden die tientallen jaren golden. Maar de regering begrijpt ook dat er geen andere remedie is. De pro-markt hervormingen worden nu beschouwd als de enig mogelijke manier om de kritieke stagnatie van de Cubaanse economie te boven te komen.

Deze veranderingen betekenen op zichzelf geen terugkeer naar het kapitalisme. Het kapitalisme vooronderstelt privaat eigendom van de belangrijkste bedrijven en banken, de vorming van een heersende klasse en een veralgemeende uitbuiting. De hervormingen in Cuba komen bij geen enkele van deze drie vooronderstellingen uit. Zeker, de hervormingen verbreden de mogelijkheid op privaat management, maar binnen het huidige staatsbestel. Zeker, er worden toegevingen gedaan aangaande private accumulatie van kapitaal maar slechts binnen bepaalde limieten die een restauratie van een burgerlijke maatschappij te allen tijde zullen trachten te vermijden.

In de voorbije jaren heeft men een begin gemaakt met de toepassing van deze hervormingsmaatregelen. Talloze aanvragen om huizen en auto’s te mogen kopen en/of verkopen zijn erkend en toegestaan, terwijl ontelbare stukken vruchtbare grond aan de landbouwers geschonken zijn. Kleine handelszaken, zoals de “paladares” (restaurants) en andere commerciële ondernemingen zijn opgericht en worden nu privé uitgebaat.

Er heerst nu ook een klimaat van meer privé activiteit en geplande investeringen in de verbetering van huizen. De toenemende versoepeling op dit terrein heeft weliswaar de restrictie dat buitenlanders geen eigendommen kunnen kopen in Cuba, dit om te vermijden dat er een stroom van kopers uit Miami zou op gang komen. De belangrijkste contracten met buitenlandse firma’s spitsen zich toe op de haven van Mariel en de uitbouw van een industriële zone in die regio.

Een kritiek punt blijft de emigratie van geschoolde werkkrachten. Na het opheffen van de obstakels om naar het buitenland te reizen, gingen een massa mensen weg. Deze emigratie wordt in het bijzonder duidelijk waargenomen bij universitair geschoolden. Zolang niet genoeg jobs worden gecreëerd voor de vele ingenieurs, sociologen en dokters, zal het zeer moeilijk zijn deze brain drain af te remmen.

De algemene hervorming van de tewerkstelling is reeds begonnen met de sprong die 350.000 werknemers maakten naar de kleine handelszaken. Zelfstandige “werknemers” vertegenwoordigen nu slechts een minimaal gedeelte (6%) van het totale werknemersbestand, maar dat zou in de komende jaren aanzienlijk kunnen stijgen.

Het gevaar bestaat – en wordt erkend – dat met de pro markt hervormingen een golf van corruptie de kop opsteekt. Meer dan 300 openbare ambtenaren zitten al in de gevangenis of worden aangeklaagd voor dergelijke wanpraktijken. Iedereen weet hoe deze ziekte de Sovjet-Unie heeft doen bloeden en hoe China er nu door aangestoken is. Maar de belangrijkste uitdaging blijft de groei te doen stijgen in een economie die er totnogtoe niet in slaagde te groeien met meer dan 2 of 3% per jaar. Investeringen zijn schaars en de internationale financiering komt niet op gang (Rodriguez, 2014).

De hervormingen die worden toegepast zijn totnogtoe ontwikkeld in het kader dat gelijkaardig is aan het NEP (New Economic Plan – Nieuw Economisch Plan) dat in de jaren 20 in de USSR en in de periode vόόr Deng in China werd uitgeprobeerd. Zij gaan niet buiten de limieten die verenigbaar zijn met de voortzetting van een socialistisch project. Ervaring heeft trouwens aangetoond dat de stap naar het kapitalisme niet gemaakt wordt door eenvoudigweg de marktactieradius uit te breiden. Dat gebeurt pas als het segment van de bureaucratie dat voorstander is om de elites om te vormen tot heersende klasse, de bovenhand krijgt.

Uit wat er in USSR gebeurd is, leren wij dat deze politieke beslissing de doorslaggevende factor is in de terugkeer naar het kapitalisme. In Cuba zijn de fondsen waarmee dit restauratieproces wordt herhaald, niet in handen van staatsambtenaren, maar wel in handen van diegenen die dollars bezitten. Dit gezegd zijnde, zijn het de politieke leiders die bepalen hoe deze fondsen moeten aangewend worden.